歌词
Ick Jan van Olden Barneveldt
Ridder, Heer van den Tempel
Van Roodenrijs, ende ghestelt
Bewaerder van 's Lands stempel
Daer toe 's Hoffs opper Advocaet
Maer ben ghevallen uyt dien staet
Nae Lucifers exempel.
Want dien stant docht my al te slecht
Ick wilde hogher wesen
Maer ben van Heer gheworden knecht
Ghevangen oock by desen,
Bewaert ende ghesloten vast
Ghelijck als eenen snooden gast
Jae word van elck mis-presen.
Ick was hoog gheklommen alreets
Schier tot de hoogste stede
Met Grotius en Hooger-beets
En Haen van Haerlem mede
Maer ben ghevallen gantsch om leeg
Dat maeckt my 't herte soo ghedweeg
Het roept nu al om vrede.
Ick die eens placht ghe-eert te zijn,
Ja gheacht des Lands Vader
Wort nu (ist niet verkeert met myn)
Ghescholden een Verrader,
En oock Autheur van allen twist
Die hier int Land is opghehist
Men wijt het my al gader.
Waer zijn mijn favouriten al
Die soo vermeten spraken
Liever bloedt vergieten mal
Als water, dan te staken
D'Opper macht en 'thooghste ghebiet
In Kerck en alle Rechten, siet
Hoe slecht staen nu ons saken.
Och Wttenbogaert goede vrient
Kont ghy my nu niet helpen
Ghy hebt my langh seer trou ghedient
Meest om de goude schelpen,
Schrijft nu en vrijft nu nacht en dach
Dat ick haest uyt komen mach
'Thert sal my overstelpen.
Noyt en had ick dit eens bedacht
Dat ick dus soude dalen
Ick stont te vast al op myn macht
En menichte Vassalen
Rotterdam, Leyden, en ter Gou.
Haerlem, Alckmaer, Schoonhoven, wou
Met Uutrecht my in halen.
Maer siet hoe den Nassouwen Heldt
Door last der Heeren Staten
My nu met groot benouwen quelt
Eerst dwongh hy mijn soldaten
Binnen Uutrecht, en doen daer na
In d'ander steden 'tmijner scha,
Hy had wel mogen laten.
Patientie par fortse doch
Elck een is Heer int syne
Liever had ick de Coortse noch
Dan te zijn in dees pijne,
Ick ducht dat dit groot ongheval
My de vijf sinnen kosten sal .
Met noch meer van de myne.
S leest:
Liever bloet te verghieten mal
Als haer voorneem te staken
Haest. In het pamflet hier haest.
S heeft hier nog een strophe, die blijkbaar later bijgevoegd is, nadat het vonnis bekend geworden was.
Ledenburgh heeft sijn selfs verdaen!
Van mijn doot maecktmen mency;
Mijn Hooft men sal van 't lijf af slaen!
Soo leyt hier mijn Sententy,
Ach! het na klagen helpt my niet,
Mijn Vrienden my verlaten siet
Elck roemt zijn Excelenty.
Ledenberg had in de nacht van 28 op 29 September een einde aan zijn leven gemaakt.
Ick ducht. S Ick sie.
62.S leest: Mijn Lijf en leven costen sal.
Oorlof Princelicke leeuwen fier
Hout aen de rechte Leere
Acht niet wat andre schreuwen hier,
Want ick beklaegh my seere
Dat ick d'huerlingen heb ghelooft
Zy hebben my het hert verdooft
Och dat klaeg ick u Heere.
Godt is mijn burcht.
Het lied is waarschijnlik kort na de gevangenneming van Oldenbarnevelt, 29 Aug. 1618, vervaardigd.